
Omschrijving
Iemand met de borderline-persoonlijkheidsstoornis heeft vaak een laag
gevoel van
eigenwaarde en een sterke neiging tot extreme oordelen. In relaties
met vrienden en/of partner is het vaak alles of niets, vaak eerst alles
en daarna plotseling niets.
Het lage gevoel van eigenwaarde leidt soms tot zelfbeschadigend
gedrag (automutilatie,
bijv. zichzelf bewust snijden of branden), ook in combinatie met
manipulatie, maar sommige Borderline-patiënten proberen hun
onzekerheid te overschreeuwen door provocerend gedrag, waarbij je juist
geen onzekerheid zou verwachten.
Soms treedt er
dissociatie op: mensen met borderline kunnen af en toe even
heen zijn, voor een bepaalde tijd niet meer in de realiteit. Het
lijkt dan alsof zij zichzelf in een film zien acteren. Dissociatie is
een vluchtmechanisme om de emoties onder controle te houden. Het treedt
meestal op als de stress teveel wordt.
Veel borderliners leven met de angst om
verlaten te worden (ook als hiervan reëel geen sprake is). Zelfs in
een groep mensen kunnen ze zich
eenzaam voelen.
Borderline-persoonlijkheidsstoornissen kunnen ook samen gaan met
kortdurende
psychoses (enige uren).
Belangrijk is dat geen twee Borderline-patiënten hetzelfde zijn. Er
zijn verschillende gradaties in, van zeer leefbaar tot zeer heftig. En
net zoals bij mensen zonder persoonlijkheidsstoornis, vindt men ook hier
extraverte en introverte mensen.
Ook binnen de
American Psychiatric Association (APA), de psychiatrische vereniging
die verantwoordelijk is voor het handboek
DSM, gaan stemmen op om de naam te wijzigen, bijvoorbeeld in
emotieregulatiestoornis (ERS) of een vergelijkbare naam omdat de
term borderline niet duidelijk is.
Diagnose
Omdat borderline pas sinds de jaren tachtig in de DSM is
opgenomen, wordt de ziekte soms als
modeziekte beschouwd en wordt er vaak onterecht denigrerend over
gesproken. Aan de andere kant is het begrijpelijk dat door de kenmerken
en uitingsvormen van deze stoornis, waaronder manipulatie en erger,
hierover niet positief wordt gesproken. Ook omstanders hebben soms te
maken met het beschadigend gedrag.
De borderline-persoonlijkheidsstoornis manifesteert zich meestal in
de adolescentie (jongvolwassenheid). Voor de oorzaken bestaat geen hard
bewijs, maar er zijn wel aanwijzingen dat genetische factoren een rol
spelen. Volgens het DSM is de kans op de stoornis vijf keer zo groot
indien de aandoening ook bij naaste familieleden voorkomt. Algemeen
wordt aangenomen dat deze factoren, in combinatie met de sociale
omgeving bepalend zijn voor het ontstaan en verloop. Het is niet bewezen
dat traumatische gebeurtenissen in de jeugd verantwoordelijk zijn, maar
een hoog percentage BPS-lijders meldt wel degelijk seksueel misbruik in
de jeugd (een onderzoek van Mary Zanarini geeft 40-71 procent)[1].
Voorts heeft neurobiologisch onderzoek afwijkingen in de hersenen
aangetoond, onder andere in de
prefrontale cortex.
[2]
Opvallend is dat de diagnose borderline bij vier tot vijf keer
zoveel vrouwen als mannen wordt gesteld. De
anti-sociale persoonlijkheidsstoornis wordt desondanks wel
'borderline voor mannen' genoemd. Dit komt wellicht omdat vrouwen de
emoties (waaronder agressie) meer naar binnen richten waardoor die
minder zichtbaar zijn, terwijl mannen zich meer op de buitenwereld
afreageren.
DSM-IV
Het
DSM-IV (301.83) definieert de borderline-persoonlijkheidsstoornis
als een aanhoudend patroon van instabiele interpersoonlijke relaties,
een instabiel zelfbeeld, instabiele emoties en een sterke impulsiviteit.
De stoornis uit zich in de vroege volwassenheid in verschillende
situaties. De diagnose kan worden gesteld als sprake is van vijf of meer
van de volgende situaties:
- De persoon probeert verwoed werkelijke of ingebeelde verlating te
voorkomen. (In dit verband wordt het suïcidale of automutilerende
gedrag van criterium 5 niet meegerekend.)
- De persoon vertoont een patroon van instabiele en intense
persoonlijke relaties, waarbij idealisatie en minachting elkaar
afwisselen.
- De persoon heeft een identiteitsprobleem: een aanhoudend sterk
instabiel zelfbeeld of een sterk negatieve eigenwaarde.
- De persoon is impulsief op minimaal twee terreinen die mogelijk
zelfbeschadigend zijn (bijvoorbeeld met geld smijten,
seks, drugs- of
alcoholmisbruik, gevaarlijk rijden, te veel of te weinig eten).
(In dit verband wordt het suïcidale of automutilerende gedrag van
criterium 5 niet meegerekend.)
- De persoon vertoont regelmatig
suïcidaal of
automutilerend gedrag of dreigt hiermee.
- De persoon is affectief instabiel door wisselende stemmingen (bijvoorbeeld
intense episoden van woede, irritatie of stress, die meestal enkele
uren duren en zelden langer dan een paar dagen).
- De persoon heeft chronische gevoelens van leegheid.
- De persoon heeft intense woedeaanvallen of problemen om de woede
te beheersen (bijvoorbeeld regelmatige driftbuien, aanhoudende woede
of herhaaldelijke vechtpartijen).
- De persoon heeft door stress veroorzaakte
paranoïde ideeën of ernstige
dissociatieve verschijnselen.
ICD-10
In de
ICD-10 (F60.3) wordt de emotioneel instabiele
persoonlijkheidsstoornis vermeld die in twee typen is ingedeeld:
- Impulsief type (F60.30) - emotionele instabiliteit, slechte
impulsbeheersing, emotionele uitbarstingen.
- Borderlinetype (F60.31) - emotionele instabiliteit, negatief
zelfbeeld, gevoelens van leegte, instabiele relaties, verlatingsangst,
zelfdestructief gedrag.
De omgeving
De omgang met mensen met deze persoonlijkheidsstoornis kan moeilijk
zijn: een soms verstikkende toeneiging wordt vaak afgewisseld door (perioden
van) absolute afwijzing. Dat kan binnen een zeer kort tijdsbestek en
zeer abrupt gebeuren. Daarom geeft men sinds een paar jaar voorlichting
aan ouders en andere naasten. De materie en de gevolgen zijn al lang
bekend, met name in de Verenigde Staten. Dat men hier jarenlang
betrokkenheid en inbreng van naasten (ook wel: het 'systeem' van de
cliënt genoemd) in de therapie door de
GGZ heeft genegeerd, heeft te maken met de opvattingen die destijds
de boventoon voerden. De laatste jaren heeft men hierop een andere kijk
gekregen. Men dringt nu juist aan op een zo groot mogelijke
betrokkenheid vanuit het systeem. Naasten weten immers uit eigen
ervaring hoe iemand met een borderline-persoonlijkheidsstoornis zich
gedraagt en hoe het is (dagelijks) met een persoon met een dergelijke
stoornis te maken te hebben. Het streven is meer bekendheid aan
omstanders te verkrijgen. Aangezien nogal eens in de valkuilen wordt
getrapt die als kenmerk aanwezig (zouden) zijn. Mits de diagnose
allereerst goed is gesteld in realiteit. Vele omstanders gaan mee in
handel en wandel en houden daarmee juist dat handelen in stand. Vaak
doen ouder(s) dat, door te verzwijgen wat een kind aan het doen is in
feite. Echter leugenachtig gedrag, bedrog en manipulatie komt veelvuldig
voor. Als dit in stand gehouden wordt door ouders of verzorgers biedt
dat overigens minder kansen om te genezen ook al zou dat mogelijk kunnen
zijn van dit gedrag en handelen. Met andere woorden men dient de grenzen
duidelijk te stellen. En deze mensen ook geen kans te geven te gaan
vermijden wanneer hen het maar goed uitkomt ook. Men loopt al te graag
van de verantwoording weg en gebruiken anderen letterlijk om hun zaken
op te (doen) knappen. Ook al zijn dat geen goede zaken.
Behandeling
Aan een enkel gesprek hebben deze mensen in behandeling niets.
Langdurige therapie wordt dan ook aanbevolen. Soms is het leven voor
mensen met deze stoornis draaglijker met medicijnen, meer kan worden
verwacht van een gestructureerde omgeving waarin iedereen goed weet waar
hij of zij aan toe is. Met
psychotherapie zijn soms goede resultaten te bereiken. Soms weet een
persoon de stoornis te overwinnen, maar als dit niet rond het 35e
levensjaar is gebeurd, is de kans groot dat de stoornis van blijvende
aard is. Behandelingen zijn onder meer de
Dialectische gedragstherapie (DGT) en de VERS-cursus, beide
vaardigheidstrainingen. DGT is voornamlijk gericht op het aanleren van
vaardigheden om om te leren gaan met de klachten. Het kan de
zelfdestructieve gedragssymptomen verminderen, maar heeft geen diepere
persoonlijkheidsverandering als doelstelling.
In oktober 2006 kwam in het nieuws dat een nieuwe benadering, schema-therapie,
patiënten met borderline persoonlijkheidsstoornis volledig zou kunnen
genezen. Schema-therapie is een integratieve benadering, gebaseerd op de
principes van de cognitieve gedragstherapie, aangevuld met technieken
uit andere psychotherapievormen. Het succes van de therapie houdt
verband met de duur en intensiteit: twee sessies per week, drie jaar
lang.
Schema-therapie is ontwikkeld door de New Yorkse psycholoog Jeffrey
Young, Ph.D. Hij startte de ontwikkeling ervan in de jaren 80. Het
eerste Schema Therapy Institute werd opgericht in het midden van de
jaren 90 in
Manhattan. In een onderzoek van Dr. Josephine Giesen-Bloo en Dr.
Arnoud Arntz is schema-therapie vergeleken met Transference Focused
Psychotherapy (TFP) bij 86 deelnemers. Na het eerste jaar begonnen
de patiënten zich beter te voelen en beter te functioneren. Bij de groep
met schema-therapie zette het herstel sneller in dan bij de TFP groep.
Na drie jaar werden zeer goede resultaten bereikt bij 45% van de
patiënten die schema-therapie kregen (en significante verbeteringen bij
twee derde van de deelnemers), tegen 24% van de patiënten die TFP kregen.
Daarnaast wordt er meer en meer op gewezen door verschillende auteurs
dat borderline patiënten een gebrekkige
mentalisatiefunctie bezitten. Hierdoor kunnen ze niet zien dat eigen
en andermans gedrag voortstamt uit een innerlijk mentaal leven van
wensen, intenties en gedachten. Dientengevolge hebben ze een gebrekkige
zelf- en anderenrepresentatie. Deze inzichten leidden tot wat na
onderzoek de meest effectieve therapie bij deze populatie patiënten is
gebleken: nl. de
Mentalization Based Treatment (MBT) van
Peter Fonagy en
Anthony Bateman. Er wordt in deze theorie uitgegaan van twee modi
van omgang met de werkelijkheid die in een normaal ontwikkelingsproces
geïntegreerd worden. In de equivalentiemodus worden gedachten en
gevoelens gezien als een perfecte kopie van de werkelijkheid, wat
gedacht en gevoeld wordt is echt en wat echt is wordt gedacht en gevoeld.
In de alsofmodus staat wat gedacht en gevoeld wordt volledig los van de
realiteit (zoals bv. het fantasiespel van het kind). Bij een rijpe
mentalisatiefunctie zijn beide modi geïntegreerd. Dit is volgens deze
theorie bij borderline patiënten niet het geval, dit als
defensiemechanisme om confrontatie met pijnlijke gedachten en gevoelens
te vermijden. Hierdoor verkeren ze ofwel in een equivalentiemodus waar
wat gedacht wordt te reëel en dus te pijnlijk is. Ze kunnen zich hier
niet tegen beschermen door te mentaliseren (d.i. verklaringen zoeken
voor de pijnlijke ervaring in termen van mentale toestanden) waardoor ze
via concreet impulsief gedrag deze fysieke sensatie trachten teniet te
doen. Het alternatief is dan de alsofmodus: een volledig losstaan van de
werkelijkheid, wat zich bij hen vaak vertaalt in
dissociëren.
Literatuur
- Anthony Bateman and Peter Fonagy, Psychotherapy for
Borderline Personality Disorder. Mentalization based treatment,
Oxford University Press,
ISBN 0-19-852766-7
- Willem van der Does, Zo ben ik nu eenmaal! Lastpakken,
angsthazen en buitenbeentjes, Scriptum Psychologie,
ISBN 90-5594-346-0
- Kreger, R. en Mason, P., Leven met een borderliner. Een
praktische gids, Nieuwezijds B.V.,
ISBN 90-5712-162X
- Krook, K., Borderline de baas. Gids voor naastbetrokkenen,
HB Uitgevers,
ISBN 90-5574-4557
- Marsha M. Linehan, Borderline persoonlijkheidsstoornis;
handleiding voor training en therapie -
ISBN 9026514573
- Spaans, J. en Van Meekeren, E., Borderline Hulpboek. Zelf
leren omgaan met verschijnselen als impulsiviteit, heftige emoties
en conflicten, Boom,
ISBN 90-5352-6145
- Scheirs, J.G.M, & Bok, S. (2007). Psychological distress in
caretakers or relatives of patients with borderline personality
disorder. In: International Journal of Social Psychiatry, 53(3),
195-203.
Memoires
Externe links
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ Zanarini
MC. Childhood experiences associated with the development of
borderline personality disorder.
- ↑ Völlm et
al. neurobiological substrates of antisocial and borderline
personality disorder: preliminary results of a functional fMRI
study
Introductie persoonlijkheidsstoornissen