De narcistische persoonlijkheidsstoornis is een
persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een overdreven
gevoel van
eigenwaarde, een sterke behoefte aan bewondering en een laag
inlevingsvermogen. De stoornis kan worden gezien als de
pathologische vorm van
narcisme. Het is voor hulpverleners moeilijk te bepalen waar de
grens tussen narcisme en de narcistische persoonlijkheidsstoornis ligt.
Naar schatting lijdt 0,7-1% van de bevolking aan NPS. De aandoening komt
in meerderheid voor bij mannen (50-75% volgens het
DSM-IV).
NPS-lijders kunnen in eerste instantie overkomen als charmant en
interessant, maar als relaties langer duren blijkt hun
egocentrisme vaak een ernstig obstakel. Niet zelden eisen ze een
voorkeursbehandeling. Als dit niet gebeurt, voelen ze zich snel gekrenkt
of ondergewaardeerd en zijn hierdoor vatbaar voor depressieve
verschijnselen. Anderzijds kan hun kwetsbaarheid ook tot woedeaanvallen
leiden.
Het leven van iemand met een narcistische persoonlijkheidsstoornis is
meestal zwaar, het heeft een diepe impact op de omstanders. Zoals een
junk heroïne nodig heeft, is iemand met een narcistiche
persoonlijkheidsstoornis altijd op zoek naar aandacht. Die aandacht
houdt zijn broze zelfbeeld in stand en is van levensbelang voor de
persoon. Om die aandacht te krijgen gebruikt de persoon de mensen die
het dichtst bij hem staan zoals de partner en kinderen.[1]
De basis van NPS wordt in de jeugd of vroege volwassenheid gelegd.
Vaak wordt de oorzaak gezocht in misbruik of trauma's die veroorzaakt
kunnen zijn door ouders, andere invloedrijke volwassenen of zelfs
leeftijdsgenoten. In dit kader kan NPS worden gezien als een
verdedigingsmechanisme dat op gevoelens van
minderwaardigheid is gebaseerd.
Het DSM-IV definieert de narcistische persoonlijkheidsstoornis als
een pervasief patroon van grootsheid (in fantasie of gedrag), behoefte
aan bewondering en gebrek aan inlevingsgevoel, meestal beginnend in de
vroege volwassenheid en aanwezig in verschillende situaties. De stoornis
kan worden gediagnosticeerd als sprake is van vijf of meer van de
volgende criteria:
- De persoon heeft gevoelens van grootsheid en eigen belangrijkheid
(hij overdrijft bijvoorbeeld zijn prestaties, talent, kennis,
contacten en persoonlijke eigenschappen en eist als superieur
beschouwd te worden, ook als zijn prestaties hiertoe geen aanleiding
geven).
- De persoon is geobsedeerd met fantasieën over succes, roem, (al)macht,
genialiteit (de cerebrale narcist), schoonheid of seksuele prestaties
(de somatische narcist) of een ideale, blijvende liefde.
- De persoon ziet zichzelf als uniek en meent dat hij alleen
begrepen kan worden door even unieke of speciale mensen (of
instellingen).
- De persoon heeft enorme behoefte aan bewondering, aandacht en
bevestiging of wil gevreesd en berucht zijn.
- De persoon gelooft dat hij meer rechten heeft dan anderen. Hij wil
dat anderen zich aanpassen aan zijn onredelijke verwachting van een
voorkeursbehandeling.
- De persoon is manipulerend en gebruikt anderen om zijn doel te
bereiken.
- De persoon heeft een onderontwikkeld inlevingsvermogen. Hij of zij
kan of wil geen rekening houden met de behoeften of opvattingen van
anderen.
- De persoon is vaak jaloers, wat gepaard kan gaan met woede. Dit
leidt tot
paranoïde wanen, omdat hij denkt dat anderen jaloers zijn op hem
en zich op dezelfde manier gedragen als hij.
- De persoon gedraagt zich arrogant. Hij voelt zich superieur, boven
de wet verheven en alom aanwezig (magisch
denken). Hij wordt kwaad als hij wordt tegengesproken door mensen
die hij als minderwaardig beschouwt.
Bronnen, noten en/of referenties:
- Willem van der Does, Zo ben ik nu eenmaal! Lastpakken,
angsthazen en buitenbeentjes, Scriptum Psychologie,
ISBN 90-5594-346-0
- ↑
Alice Miller, Het drama van het begaafde kind.

Introductie persoonlijkheidsstoornissen