Oudervervreemding/Ouderverstoting/Parent Alienation Symdrom (PAS)

Wat is het?

PAS is een verstoring die ontstaat exclusief in een dispuut om het gezag om een kind. Meestal gaat het om de vader en de moeder, soms ook de grootouders. Maar het gaat altijd om een gezagskwestie. Het gaat om twee componenten. Ten eerste is er sprake van het systematisch hersenspoelen van het kind, een campagne van denigreren van de ene ouder door de andere.
De tweede component, en dit is belangrijk, is de eigen bijdrage van het kind.
Het syndroom van ouderverstoting is de echtscheidingsziekte bij uitstek. Elk kind heeft daar in meer of mindere mate last van. Er ontstaat een verwijdering tussen de kinderen en de niet verzorgende ouder. Vaak gebruikt de verzorgende ouder allerlei manieren om die oudervervreemding zo groot mogelijk te maken. Daartoe aangemoedigd zal ook het kind hierin een rol vervullen en ontwikkelt zich bij het kind het zogenaamde Ouderverstotingssyndroom: het Parental Alienation Syndrome (PAS).

Dit syndroom kan het verdere hele leven van het kind sterk beïnvloeden, maar kan ook in de volgende generatie merkbaar zijn. PAS is dermate ernstig dat dit in het diagnostisch handboek voor psychische stoornissen (DSM-V) zal worden opgenomen.

Symptomen

  1. Het ouderverstotingssyndroom bestaat uit acht symptomen
     
  2. De lastercampagne tegen de uitwonende ouder. Het kind laat voortdurend zijn/haar haat zien ten opzichte van de uitwonende ouder. De programmerende ouder vertelt het kind negatieve verhalen over de uitwonende ouder en geeft negatieve benamingen. Wanneer de programmerende ouder dit doet zonder medewerking van het kind is er geen sprake van PAS. Er is immers sprake van PAS wanneer het kind ook een bijdrage heeft aan de lastercampagne
     
  3. Absurde, irreële rechtvaardigingen van de lastercampagne. Hoewel het vaak gaat om ouders met goede ouderschapskwaliteiten en waarbij voor de scheiding sprake was van een liefdevolle relatie met het kind, probeert het kind zijn/haar gedrag te rechtvaardigen door bijvoorbeeld te zeggen: “hij maakt geluiden tijdens het eten”
    Gebrek aan ambivalentie. De slachtofferouder heeft volgens het kind alleen maar negatieve kenmerken terwijl aan de programmerende ouder alleen maar positieve kenmerken wordt toegeschreven. Het kind kan zelfs beweren dat het alle plezierige momenten met de slachtofferouder is vergeten
     
  4. De schijnbare onafhankelijkheid. Het kind beweert dat de ideeën van hem of haarzelf zijn. Vaak gebruiken deze kinderen woorden en zinnen van de programmerende ouder
     
  5. Reflexmatige steun aan de thuiswonende ouder. Dit kan zo ver gaan dat een kind overtuigende bewijzen van een ander afwijst  Het kind gelooft dat de verzorgende ouder een ideaal persoon is die geen kwaad kan doen of denkt dat de programmerende ouder de zwakste van de twee ouders is die verdediging nodig heeft
     
  6. Het kind heeft gebrek aan schuld, sympathie en empathie voor de slachtofferouder. Het kind verdedigt zijn/haar gedrag door te stellen dat het een slechte ouder is en niet verdient hem/haar te zien. De slachtoffer ouder heeft de keuze om een dergelijke behandeling te tolereren of juist te vermijden met als gevolg het contact met het kind verliezen. Vaak kiezen ouders voor de laatste optie
     
  7. Letterlijk citeren van onbegrepen woorden. Het kind gebruikt zinnen en ideeën die zij aanleren van de programerende ouder. Dit kan afgeleid worden uit de woorden of zinnen die niet bij de leeftijd passen of gebeurtenissen die ze niet kunnen herinneren.
     
  8. Uitbreiding van de vijandschap tot de familie van de uitwonende ouder. Het kind verbreekt het contact met voorheen dierbare familieleden.
     

Bron: PAS Parental Alienation Syndrome - ouderverstotingssyndroom